← Alle gedichten
Psalm 64Psalmberijming

Psalm 64

7 november 2026

Hoor toch, o God, mijn bange klagen.
Behoed mijn leven voor wat dreigt,
geef dat de vijand mij niet krijgt.
Wil al mijn angst voor hem verjagen.
Laat redding dagen!

Verberg mij voor de slinkse plannen
die door wie kwaad doen zijn bedacht.
Verberg mij nu het oproer wacht
van wie tot onrecht samenspannen.
Weerhoud die mannen!

Een zwaard wordt op hun tong gevonden,
die scherpen zij om mee te slaan.
Sluw leggen zij hun pijlen aan:
een bitter woord ligt in hun monden
om te verwonden.

Vanuit veel diep verborgen plekken
beschieten zij de vrome man,
zo plotsklaps als een schutter kan.
Geen angst is bij hen te ontdekken
of op te wekken.

Zij blijven zich in kwaad doen sterken.
Een valstrik zetten maakt hen blij,
daarover overleggen zij.
Ze zeggen van die boze werken:
wie zal ze merken?

Zij speuren naar diverse zonden.
Heel stipt wordt alles nagegaan.
Wat innerlijk is, zien zij aan.
Zij zouden zelfs het hart doorgronden
als zij dat konden.

God zal hun boosheid niet verdragen.
Zeer onverwachts zendt Hij Zijn straf.
Hij schiet Zijn pijlen op hen af.
Ineens zijn daar de harde slagen
en zware plagen.

Zij vallen zelf door wat zij melden.
Hard stoot hun eigen tong hen aan.
Al wie het ziet, vlucht daarvandaan.
Zo moeten zij die kwaad voorspelden
het zelf ontgelden.

Dan zal elk mens al vrezend spreken
en melden wat God heeft gedaan.
Ja, ieder zal er acht op slaan.
God kan elk listig plan verbreken,
dat is gebleken.

De vrome zal in God verblijd zijn,
de HEERE is zijn hoop, zijn kracht.
Al wie oprecht is, roemt Gods macht.
Zij zullen tot Zijn lof bereid zijn
en toegewijd zijn.