Psalm 31
8 april 2025
Ik vlucht naar U en zoek bescherming,
o HEERE, die mij ziet,
beschaam mijn hoop toch niet,
maar toon mij eeuwig Uw ontferming.
Red mij op mijn gebeden,
door Uw gerechtigheden.
Haast U en wil mijn roepstem horen,
breng mij in veiligheid,
wees mij in deze tijd
een sterke Rots, een vaste Toren
om mij daarin te leiden
en om mij te bevrijden.
U bent mijn Rots, mijn Burcht, mijn Toren.
Wijs mij de wegen aan
en leid mij om Uw Naam.
U bent mijn Sterkte, wil mij horen:
bevrijd mij uit de netten
die zij zo stiekem zetten.
Mijn geest beveel ik in Uw handen,
U redt mij uit het nauw,
o HEERE, God van trouw.
Ik haat hen die vol ijver branden
en zich tot valsheid keren,
maar ik bouw op de HEERE.
Ik zal mij in Uw gunst verblijden,
nu zal ik vrolijk gaan;
U zag mijn moeite aan.
U wist hoeveel mijn ziel moest lijden,
ook wilde U mijn leven
niet aan de vijand geven.
U wilt mijn voeten ruimte geven.
Wil mij genadig zijn,
o HEERE, zie mijn pijn,
want angst en zwakheid doen mij beven,
mijn oog en ziel bezwijken,
mijn lichaamskrachten wijken.
Mijn leven is door smart verslonden,
mijn jaren raak ik kwijt,
ik zucht de hele tijd.
Mijn kracht kwijnt weg door al mijn zonden,
mijn sterkte is geweken,
mijn botten zijn bezweken.
Doordat mijn vijand mij blijft schenden,
ben ik de buurt tot smaad,
ik word door elk gehaat,
ik ben een schrik voor mijn bekenden.
Wie mij ziet op de straten
vlucht weg – ik word verlaten.
Ik ben al uit hun hart vergeten,
ik word als dood geschat,
als een gebroken vat.
Ik hoor welk kwaad mij wordt verweten.
Ik vrees, omdat zij samen
mijn ondergang beramen.
Maar ik vertrouw op U, o HEERE.
Ik zeg: U bent mijn God.
In Uw hand ligt mijn lot,
Uw blijft mijn tijden trouw regeren.
Red mij, wil mij bevrijden
van hen die mij bestrijden.
Laat Uw genade mij verblijden,
toon aan Uw knecht het licht
dat straalt van Uw gezicht.
Wil door Uw goedheid mij bevrijden.
Wil schaamte van mij weren,
want U aanbid ik, HEERE!
Laat over slechten schaamte komen,
verstom hen in het graf
en sluit hun lippen af.
Straf hen die liegen tegen vromen,
die trots en honend spreken;
wil toch hun hoogmoed breken!
Een heel groot goed wilt U bewaren
voor wie U vreest en eert,
voor hem die heeft geleerd
tot U te vluchten in gevaren.
Groot heil zult U bewerken!
Elk mens zal dit bemerken.
In nood verbergt Uw hand de vromen.
U hebt een hut gesticht,
nabij Uw aangezicht.
Daar kan geen trotse vijand komen.
U houdt Uw volk verborgen
voor twist, voor smaad en zorgen.
De HEERE zij geloofd, geprezen:
Zijn goedheid in mijn nood
was wonderlijk en groot!
Zelfs in een stad waar ik moest vrezen,
waar ik was ingesloten,
heb ik Uw gunst genoten. *
Ik sprak: ‘Nu ben ik afgesneden
van Uw aanwezigheid’.
Mijn haast had mij misleid.
U hoorde toch naar mijn gebeden!
U merkte op mijn smeken
en op mijn angstig spreken.
Bemint de HEERE Zijn beminden;
die vromen veiligstelt,
maar trotsen rijk vergeldt.
Weest sterk! Uw hart zal sterkte vinden.
De HEERE geeft weer krachten
aan hen die Hem verwachten.