← Alle gedichten
Vertaling

Immanuëls land

11 september 2023

Het zand in het uurglas zakt verder en verder,
minuten verstrijken, de dageraad gloort!
De zomerse morgen, waar ik naar verlangde,
die heerlijke morgen ontwaakt op Gods woord!
Hoe duister, hoe donker, hoe zwart was de nacht,
maar nu wordt de stralende lente verwacht!
En glorie – ja glorie! – verblijft en houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

O, nu is het goed, het is goed zonder einde.
O, nu is het goed, tot in eeuwigheid goed!
Mijn nestje hing niet in een bos hier op aarde,
want die gaan de bittere dood tegemoet.
De ijdele wereld, dat droombeeld, vergaat
als was het een schip dat de oever verlaat.
Maar glorie – ja glorie! – verblijft en houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

Ja, daar bloeit de Roos van de vlakte van Saron.
Haar blaadjes gaan open, hoe mooi is haar kleur!
Daar vult zij de lucht met verrukkelijk reukwerk,
de hemel raakt vol met haar heerlijke geur.
Haar bloesem te zien! O, te zien al haar pracht,
gelokt door de geur die mij trekt door haar kracht,
waar glorie zich huisvest, waar roem is geplant,
daar, in Immanuëls land.

Ja, daar wordt de Koning gezien in Zijn schoonheid,
geen sluier beneemt daar het zicht op Zijn pracht.
De reis was het waard, ook al voerde de route
langs talrijke doden, door duistere nacht.
Ik reisde naar Sion, daar was geen gevaar,
want daar stond het Lam – met Zijn leger – al klaar
en glorie – ja glorie! – verblijft en houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

O, Christus alleen is de Bron van de liefde,
ja, Hij is de diepe en zoete Fontein.
De stromen mocht ik hier op aarde al proeven
– hierboven zal dieper en meer drinken zijn.
Want daar is een volheid die nooit zal vergaan,
daar wordt Zijn genade een heils-oceaan!
En glorie – ja glorie! – verblijft en houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

Zelfs Anwoth – hoe heerlijk – was niet als de hemel,
zelfs preken was Christus, mijn Zaligheid, niet.
Maar hier, in de kerker, hier waren wij samen:
mijn Heere en ik, in dit stille gebied.
Ja, zelfs toen de donkerste stormwolk verscheen,
toen zag ik de boog van Gods trouw daaromheen,
die boog uit de woonplaats waar roem is geplant,
daar, in Immanuëls land.

O wonder dat Hij hier een hemel gemaakt heeft,
een plaats van Zijn liefde, zo groot en zo rein!
Het lijkt hier zoveel op de Godsstad hierboven,
het nieuwe Jeruzalem – hier in het klein.
Toen riep ik verlangend de Bouwmeester aan:
‘O Heere, laat mij naar dat Liefdesland gaan!
Ja, neem mij toch mee naar de andere kant,
daar, naar Immanuëls land.’

Een bloem kan niet zonder verkoelende nachten,
tot nut is het donker, de dauw en de maan.
En zo doet ook Christus bij elk die Hij liefheeft:
vaak trekt Hij Zijn glinstering bij hen vandaan.
Maar is Hij afwezig, dan voel ik zo’n smart,
mijn ziel wordt onrustig, mijn hart zo verward,
maar roem – zonder schaduw! – geeft licht en houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

Ik dacht: ‘Hoe gezegend en rijk zijn de vogels!
Zij hebben het kerkje van Anwoth als huis.’
Maar nu mag ik zelf bij een heerlijker altaar
mijn nestje gaan bouwen, ja dit wordt mijn thuis.
En hier broedt geen stilte, hier klinkt geen geween,
geen graven staan hier om het heiligdom heen,
want eeuwige glorie verblijft en houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

O Anwoth, je bent mij ook nu nog zo dierbaar.
Nog steeds is mijn hart met jouw zielen begaan.
Zelfs hier, aan de grens van die heerlijke hemel,
zelfs hier laat ik, Anwoth, voor jou nog een traan.
O Anwoth, ik nam je zo graag met me mee!
Mijn hemel verdubbelt, het worden er twee
als iemand uit Anwoth mij treft aan Gods hand,
daar, in Immanuëls land.

Hoe worstelde ik op het pad naar de hemel.
Ik vocht tegen wind, tegen storm en getij.
Maar nu zakt het zand in het uurglas steeds verder,
de schemering valt en de nacht is nabij.
Ik ben als een pelgrim die wordt ondersteund
en moe op zijn gids en zijn raadgever leunt
en zo schud ik glorie begroetend de hand,
daar, in Immanuëls land.

Veel diepe rivieren doorkruisten mijn leven,
de doornheg was scherp en ontvelde mijn huid,
maar: achter mij liggen nu al deze dingen
en dat voor een harp met een zuiver geluid.
O, daar met het grote triomfkoor te zijn,
te delen in hun halleluja-refrein!
Om eeuwig te zingen, waar roem is geplant,
daar, in Immanuëls land.

Ja, Hij heeft het web van mijn leven gevlochten,
Hij weefde met draden van goedheid en recht.
De dauw van verdriet kreeg een glans door Zijn liefde,
want Hij heeft Zijn gunst aan mijn tranen gehecht.
Dus loof ik de hand die mij hier heeft gebracht,
dus loof ik het hart dat dit plan heeft bedacht,
wanneer ik verblijf waar de roem is geplant,
daar, in Immanuëls land.

Hoe spoedig ontvang ik de beker van glorie,
die wast alle aardse benauwdheden af!
Hoe spoedig wordt straks de onvruchtbare doornstruik
een roos, zoals God die in Eden eens gaf!
De vloek wordt een zegen en dus zal mijn naam
– op aarde veracht – toch voor eeuwig bestaan,
gegrift in de sneeuwwitte steen in Zijn hand,
daar, in Immanuëls land.

O, eeuwige vreugde: ik ben van mijn Liefste!
Ja, ik ben van Hem en mijn Liefste is mijn!
Hij opent Zijn deur voor armoedige zondaars,
verwelkomt hen blij in Zijn woning van wijn.
Dat huis wordt een hel als ik Jezus er mis,
ik wil daar niet zijn wanneer Hij er niet is,
zelfs daar niet, waar glorie en roem zijn geplant,
daar, in Immanuëls land.

Straks val ik in slaap aan de boezem van Jezus,
en als ik ontwaak, ben ik vol met Zijn beeld!
Dan zal ik Hem liefhebben, loven en dienen,
want daar wordt mijn oog door Zijn schoonheid gestreeld.
De opstanding is zo ontzettend dichtbij,
want: ‘heden bent u in de hemel met Mij.’
Ja, daar straks te zijn, waar de roem is geplant,
daar, in Immanuëls land.

De bruid kijkt niet steeds naar haar prachtige bruidsjurk
– ze kijkt naar haar bruidegoms lieve gezicht.
En zo blijf ook ik niet op heerlijkheid staren
– mijn ogen houd ik op mijn Koning gericht.
Nee, niet op de kroon, want die werp ik opzij.
Ik kijk naar Zijn hand die doorboord is voor mij.
Het Lam zij de glorie, Zijn glorie houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

Veel haat en verachting en spot moest ik dragen.
Met hoogmoed vervuld kwamen velen eraan,
zij maakten mij telkens de ergste verwijten,
omwille van Christus’ gezegende Naam.
Waar God Zijn voortreffelijk merkteken zet,
daar stempelden zij met hun stempel van smet.
Maar straks gloort het oordeel; Gods waarheid houdt stand,
daar, in Immanuëls land.

Zij zeggen dat ik voor hun rechtbank moet komen.
Ik mag daar niet heen, want ik moet al naar huis.
Mijn machtige Heere zegt: ‘Kom, ja, kom hierheen.’
Mijn machtige Heere zegt: ‘Welkom hier thuis.’
Mijn Koning beveelt mij Zijn huis in te gaan.
Ja, daar, bij Zijn heerlijke troon moet ik staan,
waar glorie zich huisvest, waar roem is geplant,
daar, in Immanuëls land.